Hedenavond fileert DWDDD Paul van Ostaijen. Bij wijze van support act wordt eerst het 21e-eeuws kaf van het al even 21e-eeuws koren gescheiden aan hand van Komrij’s laatste bloemlezing. Ondanks de afwezigheid van Fred wegens fysiek ongemak, zal het spektakel ‘en direct’ via Twitter te volgen zijn (www.twitter.com/dwddd_).
“Aafjes was heus geen prutser”
Het leven gaat door, ook in het hiernamaals. Na het volgens velen te vroege heengaan van Driek van Wissen, stond op diens sterfdag Bertus Aafjes op de rol om door de leden van De Wereld der Dode Dichters, oftewel DWDDD, eens grondig beanalyseerd te worden. Maar niet nadat DWDDD in haar korte doch bewogen bestaan een nieuwe stap gezet had op weg naar wereldoverheersing, te weten het aanmaken van een Twitter-account. Dankzij deze revolutionaire stap ontsluit DWDDD de belevenissen aan gene zijde van de poëzie voor een groter publiek (op moment van schrijven zes volgers, om precies te zijn). Het belooft dan ook een groot succes te worden. Een kleine stap voor DWDDD, een gigantische sprong voor de mensheid. Om dit te benadrukken, ontketende Fred meteen een ware Twitterstortvloed aan tweets, die daarop onmiddellijk door Fred zelf werden geretweet, waarbij het toevoegen van enkele pakkende hashtags niet vergeten werd. Een ware schokgolf ging door de Twitter-gemeenschap.
Bij wijze van voorprogramma hield Sterre een lezing over de ware betekenis van de woorden ’schuren’ en ’sandwichen’, waarop door Fred de terechte vraag werd gesteld of AFTh. daar niet ooit iets over geschreven heeft. Te oordelen naar de vragende blikken van nagenoeg alle aanwezigen, zal dit wel altijd een vraag blijven.
Hierdoor lieten de overige DWDDD-ers zich niet afleiden en zij zetten zich dan ook aan de lezing van Het gevecht met de muze (1940), dewelke door Il Principe werd ingeleid met een gloedvol betoog. Hiertoe was de onvermoeibare, nooit versagende en daarom ook zo gewaardeerde DWDDD-voorzitter een maand in retraite gegaan en het resultaat mocht er zijn! Het is vanzelfsprekend niet eenvoudig deze inleiding, die ruim drie minuten duurde, samen te vatten en hier zal dan ook volstaan moeten worden met enkele in het oog springende feiten over het leven en werk van Bertus Aafjes. Hij overleed in 1993 in Swolgen. Noemde zichzelf ook wel Jan Oranje. Op de vraag van Il Principe of er nog vragen waren, hield iedereen zijn mond, waarop Il Principe nog gauw even een blik wierp op de Aafjes-wiki en verheugd wist te melden dat hij ook nog iets in de priesterij en archeologie had gedaan. Daarna stortte hij zich op de literatuur en schreef reisbeschrijvingen over het Middellandse Zee-gebied. In 1980 schreef hij erotisch poëzie, waarop iemand iets opmerkte over de ANWB en de kilometerheffing. Opzienbarend was voorts de ontdekking van Il Principe dat Aafjes “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” op Zeeburg heeft gewoond. Il Prinicpe toont daarna een foto van Aafjes en ontlokt Bloeme de woorden “wat een lief mannetje.”
Aafjes hing bij Sterre op de wc en zij leest dan ook de passage over het gezicht op Rome, uit Een voetreis naar Rome. Daarop wordt Dichters Epitaaf gelezen en vraagt men zich af of Aafjes niet aan rijmdwang leed. Bloeme laat haar waardering voor Aafjes blijken: “Aafjes was nog niet zo’n prutser.” Unaniem wordt besloten dat ‘gevecht met de muze’ een mooie titel is. ‘Zacht ruisen’ is keurig rijm en de Eerste Wet van Newton zit ook mooi verweven in bepaalde gedichten van Aafjes. Men komt tot de conclusie dat Aafjes binnen vier gedichten gekraakt is. Dat zit zo, in formule: ‘woekerend bederf’ = ‘dood’ = ‘muze’ = ‘inspiratie’, waarin ‘dood’ = metafoor (zwart gat), aldus Bloeme en Princesse. Fred merkt evenwel op “Je kan niet sterven aan de dood.” Instemmend geknik is zijn deel.
Il Principe was even uitgeklokt, maar klokt gelukkig weer in. Schopendegger zegt dat de drie gedichten aan het einde van de bundel ’symboolgoochelen’ is. De Verstotene is post-modern (opmerking: proto-postmodern?). Bloeme: “iemand zin om een parodie te maken?” Er wordt een parodie gemaakt:
In een kring van jongelingen
Bij een warme haard gezeten
Begon Frans Bauer plots te zingen
En werd snel in het vuur gesmeten
Tot slot wordt opgemerkt door Princesse dat De laatste brief doet denken aan Le Dormeur du val van Arthur Rimbaud (in de wandelgangen trouwens Rimb’ genoemd) en dat is ook zo.
Hierop wordt het woordenboekspel gespeeld, hetgeen niet onvermeld mag blijven, vanwege het gebruik van enkele pareltjes uit de Nederlandse taal: moeskop, oeloe, proem, bodderen en hardbloem.
Driek betreedt het Walhalla.
Op 21 mei jl. heeft ex-Dichter des Vaderlands Driek van Wissen het tijdelijke voor het Walhalla verruild. De leden van het vermaarde gezelschap De Wereld der Dode Dichters (tevens bekend onder het welluidende acroniem DWDDD) heten hem van harte welkom, al zijn ze het erover eens dat hij wat aan de vroege kant is. “Driek hadden we nog niet verwacht, om heel eerlijk te zijn” , liet een woordvoerder weten. Hoewel het Walhalla bevolkt wordt door dichters die op heel wat jongere leeftijd aan de poort van het Walhalla klopten, had Driek nog wel even onder de levenden mogen blijven.”
Genesis 4:1, of: DWDDD versie 2.0
Zeer hooggeachte poëzieliefhebbers, websitebezoekers, geïnteresseerden, dames, heren, jongens, meisjes, burgers, buitenlui, passanten, gluurders, onbevoegden en andere aangesprokenen!
Zinnen sparen (I)
“In onze wereld, in deze tijd waarin we als blinden rondstommelen, loop je op elke straathoek volwassen, welvarende mannen en vrouwen tegen het lijf die op hun achttiende niet alleen de bekende hoop der natie waren maar ook, en misschien vooral, gloedvolle revolutionairen met het vaste voornemen het systeem van hun ouders omver te werpen en daar dan eindelijk het paradijs van de verbroedering voor in de plaats te brengen, terwijl ze zich nu minstens zo onverzettelijk koesteren in overtuigingen en praktijken die zich uiteindelijk, na een tussenfase als opwarmertje in willekeurige welke van de vele versies van het gematigd conservatisme, hebben ontpopt als het meest schaamteloze en reactionaire egoïsme. Minder verheven gezegd, voor de spiegel van hun leven spuwen deze mannen en vrouwen dagelijks de fluim van wat ze zijn in het gezicht van wat ze waren.”
“Neem jij mijn badkamer, anders komen wij hier nooit weg. De begunstigde kleurde van voldoening, zijn carrière had net een flinke stap voorwaarts gemaakt, hij ging pissen in de plee van de commandant.”
Slauerhoff, een getwitterde impressie.

‘Het is misschien een wat voor de hand liggend voorbeeld, weliswaar wat vergezocht, maar toch… of ben ik mezelf nu wat aan het ondermijnen?
DWDDD goes Twitter (of beter gezegd ‘gaat Twitter’, nu dit verslag verschijnt ‘as we speak’, (in zoverre dat dat niet waar is, want de technologie laat uw notulist ‘as we speak’ in de steek, maar een mooie avond was het)). Goed, het was dus een avond vol uitwijdende Slauerhoffen, pasta, breedsprakige Djengis Khans, zielige boegbeelden en de constatering dat DWDDD niet alleen gaat Twitter, maar ook gaat toneel.
‘Het is misschien een wat voor de hand liggend voorbeeld, weliswaar wat vergezocht, maar toch… of ben ik mezelf nu wat aan het ondermijnen?’
Metastereotyperingen zijn aan de orde van de avond. (Eigenlijk draait het allemaal om ‘ik de ander en wie er dan nog bij komt (de derde om zo maar te zeggen)).
‘Het ontherseningslied’ staat in de verzamelde werken op pagina 104 en niet in ‘im memoriam mijzelf’.
‘In memoriam mijzelf’ staat op pagina 104 in ‘in memoriam mijzelf’ (logisch) en in de verzamelde werken op pagina 109 (5 verschil dus (in pagina’s)).
Kip williams.
Slauerhoff was 38 toen hij stierf. Ja, net na augustus. Dus, ja inderdaad hij was reeds jarig geweest (je moet je kennis paraat hebben).
Slauerhoff houdt van kamperen.
Terug naar Achterberg: was het de hospita of de dochter? En waarmee? Een hooiberg? (cluedo-grapje)
De laatste woorden van Slauerhoff: ‘ik vind het af en toe wel een beetje een zeikerd.’
Slauerhoffs ‘in memoriam mijzelf’ is alsof je vlak voordat het heerlijk avondje is begonnen nog een rijmpje in elkander moet flansen.
Sépulture d’un poete maudit is een sonnet, dat staat als een paal boven water.
Dwddd gaat alvast toneel (vrij vertaald naar ‘dwddd goes toneel’)
Tristan en de comtes, comtes ziet alles in teder roze. Comtes waant zich als een chrysant die schoon weet te bloeien en verdwijnt. Comtes weet dat Tristan lelijk is.
Toneel: hijgend.
Tristan wijdt uit over het invoerverbod en vraagt zich af of zij nooit zijn harde knoken hebben gevoegd. (Overigens ziet zijn hond hem aan vol bewondering) hoe leert men eigenlijk kaarten?
- einde -
Le nouveau vindt het wel een plan en leest vervolgens een familiedrama in zes regels voor (hoe gedurfd).
Il principe vermoedt, na grondige lezing van het gehele werk van Slauerhoff, dat deze wel eens naar Azië is geweest. Le nouveau betwijfelt dit nu hij S. nog niet zo snel een loempia ziet eten.
Dsjengis, Il Principe waarschuwt (en wil dus niet aan het eind van de avond horen ‘ja, maar jullie hebben me helemaal niet gewaarschuwd’): Dsjengis is zo goed de zak.
De vizier blijkt zowel de notulen te doen als een fikse porsie stil spel tot zijn beschikking te hebben. De bank ligt bout.
Neeheee!!! dat is geen geronnen bloed, dat is roest, tsjongejongejonge…..
Dsjengis maakt een wat afwijzend gebaar (met zijn linker hand door middel van een op het oog eenvoudige polsbeweging (en verlaagd zijn stem))
Uw notulist moet bij kamtsjatska onwillekeurig aan Risk denken. Dsjengis spreekt overigens zo vol vuur dat hij zo nu en dan de woorden uit de mond van khan neemt. dsjengis vindt plunderen, brandschatten en martelen niet zo mooi. (overigens wat is schraagden een mooi woord!! (wordt eigenlijk veel te weinig gebruikt)) het vuur geraakt uit de stem van dsjengis, hij is buiten adem van zichzelf. ook bloeme moet wat zuchten van het gedweep van slauerhoff’s dsjengis. (‘mijn strijdperk ben ik zelf’). dsjengis schakelt daarop een versnelling hoger en stelt dat er eigenlijk geen grootsere wellust is dan te doden en…. vindt NOG EEN VOLLE BLADZIJ VOL VAN DRAAIKOLKEN, GROENGESCHUBDE RUGGEN EN BRULLENDE BRANDING!!!! en dan denk je dat dsjengis zijn laatste woord heeft gesproken: NEE HOOR!!! NEEMT KHAN HET STOKJE OVER ‘Spaar deze stenen voor uw onderkomen voor het ouder worden’ en tuurlijk laat dat maar aan dsjengis over: nee hoor, die wordt niet oud!
-einde- (poeh, mooi toneelstuk zeg)
il principe vindt het GOED dat we dit gelezen hebben. bloeme vermoedt dat dsjengis stiekum een pagina heeft overgeslagen.
(dan tot slot) ‘ik hoorde gister iemand zeggen dat het gorter was’ ‘neeeh! het was van eeden.’ ‘oh, ik dacht al, vreemd’.
- einde van weer een mooie avond, terwijl uw notulist niets anders rest dan voor te stellen om zijn notulen als toneelstuk te beschouwen en deze zodoende de volgende keer op te voeren en vast te stellen dat het erg leuk was om j. te ontmoeten -
Welterusten!
Een laatste voortreffelijk lijk: Agilulf
De ridder houdt van groente en patat
Hij hoopt met eten leegte te bezweren
Prei, als je me nu eens gekookt opat?
Om de leegte van het bestaan te trotseren
Men dronk ook graag van ‘t heerlijk gerstenat
Dat moet je dan weer marineren
Maar sla, tomaat en prei is hij nu zat
Zo pastinaak, kan je me pocheren?
Al te zwaar drukt gewicht van loden tooi,
Hij frituurt nu ook vaak uienringen,
Komkommer vindt de ridder vieze zooi,
Maar sappige sla doet Agilulf zingen
Regels zijn regels en zo is het mooi
Wat moet hij zonder harnas beginnen?
De Bolknak.
Toen kon dat nog. Je hebt van die chauffeurs die haasten zich. Vreselijk. Niet voor de klant of passagier. Niet om de naam van ons bedrijf beter in de markt te zetten. Neeen. Roken. Dat willen ze. Roken, als schoorstenen. In de bus gaat dat niet meer. Er zijn dan van die haltes halverwege de route, waarbij, als je voldoende vaart erin weet te zetten je lekker voorloopt op ‘t schema. Dan gaat staan wachten tot het schema je weer inhaalt. En dan in die tussentijd kan je even. Paffen dan dus.
Op de touringcar, ja, dat was een andere tijd. Een hele andere rijervaring. Deelden we pakjes uit aan het begin, of beter: je kreeg een slof als je een maandabonnement nam. Het kwam ook geregeld voor dat iemand geen geld bij zich had en gewoon m’n weekvoorraadje peuken aanvulde, dat kon toen nog. Het mooiste is, na ja dat gonsde dan al weken door de remise, als er weer een uitje 65+ aankwam. Beter dan van die zwembad jeugd. Je kent het wel. Weer dat vooronder vol met opblaas krokodillen, bandjes, bananen. Gierend uit de hand escaleren deed dat dan. Maar goed… bejaarden. Dan was er altijd wel eentje jarig. Nou die kwam dan, met z’n doos. Vol he! Zo’n hele doos met van die bolknakken. Nou dan wist je ‘t wel hè. Ok, ik geef toe, het waren lang niet altijd van Cubaanse. Nee dat niet. Meestal was het particuliere import uit de Solomon Islands. Waren ze dan met een tripje heen geweest, toch mindere kwaliteit dat wel. Maar ik zeg altijd gekscherend: bolknakken zijn bolknakken of ze nu door Fidel gerold zijn of door Pol Pot.
Nu ja, stoppen hoefde toen niet. Was van geen strak schema sprake. Waar het nu taboe is om in de wagen te roken, konden ze er destijds geen tabak van krijgen. WAHAHAHAHA! Je snapt ‘m he. Tabak van krijgen… Dat ze dus, ehh er geen genoeg, nou ja tabak zit dus ook in rookwaar. mmm.
Maar die bolknakken dus. Dan kwam er zo’n grijze heer. Heren, dat waren ‘t toen nog echt. Niet met van die rubberen Mephisto’s aan, neen. Echte lekker stevige Van Liers, met leren zolen. En zo’n v-tje in de hak. Koperen spijker. Jaa daar zat dat toen nog mee vast hè. Jaa, ook wel lijm, maar toch vooral koperen spijkers. Dat was me wat. Maar goed. Die bolknak dus. Dan kwam er zo’n man langs, met echt een EMMMER van dat heerlijk geurend rookwaar. Nou en dan uitdelen hè. Aan iedereen. Ja aan IEDEREEN DUS HE. Verdomme. Dat is nu heel anders met die Marokkanen, die maken dus echt alles kapot hè. Dan is er van bolknak uitdelen dus geen sprake meer. Echt voor bolknakken kan je bij die Marokkaantjes niet aankomen, en uitdelen? NEE HET ZIJN ALLEMAAL… Maar ja, Turkse Pizza dat is dan wel weer erg lekker, dat hebben ze dan weer wel en het is echt niet dat die gasten nooit een Agio-tje opsteken, nee dat niet. Maar kwaliteit, nee daar hebben ze geen kaas van gegeten. Daarover gesproken.
Blauw. Dat stond ‘t alras in zo’n bus. Reed met een grote touring DAF naar Polen. Naar Polen. Jahaaa, m’n vrouw ging dan wel mee he. Neuh.. die zit ook op de bus. Zie je nie aan ‘r hoor; dat niet. Ze is heel gewoon gebleven. Gezellig was dat. Weet je, dan het je, ja zeg maar, drie compartimenten in die bus. Eentje – ik had er net al even over in verband met die zwemles en krokodillen – voor. Daar zaten wij dus. Zo’n hele lange unit boven. 54 stoelen. Zonder staanplek, dat ging echt niet toen en dat is misschien wel beter. En een voor 15 personen achter, beneden. Maar goed, dat voorcompartiment, dat had zo’n gordijntje. Mooi spul. Was wel bruin, maar dat had je toen. Paste lekker bij je zitkuil. Ging dus dan dicht dat gordijntje. NOUU, dan wist je ‘t wel hoor. Die bolknakken gingen dan aan. Binnen een mum van tijd, een mum. Blauw. Helemaal. Blauw.
Heerlijk. Er is uiteindelijk toch niks zo mooi als achter zo’n groot stuur zitten. Met je vrouwtje. Da’s mooi. Zit ik meestal met m’n linkerelleboog een beetje zo op het linkerraamkozijn, of hoe noem je dat. Ik leun een beetje zo. Beetje met rechts sturen. Nonchalant achterover. Haren vet van de brilcream – moet je ’s ochtends al rekening mee houden als je je krat uit komt – lekker slagje d’r in. Zit ik een beetje aan die knop, je weet wel dat ding dat hier zit. Heb ik een keer bij een tankstation gekocht. Nou ja, gekocht, gekocht. Ik haal dus altijd zo’n jumbopak van die BROSsen, of Raiders, hoe heten die dingen. Kreeg je jarenlang zegeltjes bij. Op een gegeven moment had ik geloof ik 14000 van die zegeltjes. Sta je dan met je spaarboekje. Wat moet je dan kopen. Ik heb dus op zichzelf niet zo gek veel met ‘n steengrilcentrale. Of van die pluche dobbelstenen. Of zo’n zwaaiende kat. NEEEE. Daar hoef je bij mij echt niet mee aan te komen. Nee. Zo’n KNOP. Dat heb ik dus gekocht. Zo’n knop, voor op je stuur dat je dus met je rechterhand (linker immer leunend nonchalant op raampje) een beetje aan die knop kan zitten. Sturen dus hè. Met één hand. Corrigeren. Hier en daar. Waar nodig. Vinden die vrouwtjes mooi hè. Mwoah. Verdomme.
Maar ja, niet dat ik met de vrouwtjes iets te klagen heb. Nee, dat niet. Heb natuurlijk met mijn Svetlana, gewoon een hele goeie te pakken gehad. Is echt een topwijf, in 1 woord, top wijf. Heb ik dus een keer opgepikt, nou ja opgepikt, da’s misschien ook niet zo aardig. Is een keertje komen aanlopen, toen ik met de jongens, naar Polen was. Ja met de touringcar natuurlijk. Wat denk je dan. Da’s natuurlijk het mooiste. Dat je een beetje in de wagen zit. Handje op het stuur, knop d’r bij. Alles d’r op en d’r aan. Je ziet het inmiddels voor je. Gingen we naar Krakkou of zo. Enorme stad in Polen. Mooi jongen, mooi! Ongelofelijk nog nooit zo iets moois gezien. Je weet wel, van die huizen, met van die stenen en zo, alles d’r op en d’r aan. Zaten we met de jongens, in zo’n herberg met z’n alle op de zaal natuurlijk. Gelachen dat we hebben, gelachen! Zit je dus op zo’n avond in zo’n tent, pilsje d’r bij. Komt er opeens zo’n hele horde met van die dames. Mwaah. En volslank hè. Precies wat ik zo lekker vind. Mwaaah.
Mijn Olha niet. Die is wat hoekiger. Lekker kort koppie. Maar, wel een fijne vrouw. En correct ook hoor. Belde me laatst, zegt ik ben gestopt. Vroeg gelijk Petrofkaatje ben jij dat. ‘Ja, met mijn, ben gestopt’ hoorde ik aan de aare kant. ‘Las dat boekje van Ellan Kaars. In een ruk, in een ruk uit. Maar ben nu ook wel gestopt.’ ‘Maar dat was toch niet nodig’, zei ik hur nog. ‘Je had ‘t toch prima, op de vrachtwagen.’ ‘Neen boeliewoekie van me,’ zegt ze, ‘met roken.’ Dat verwacht je niet hè. Van zo’n Poolse. Als er vrouwen zijn die paffen als schoorstenen, dan zijn het wel van die oost EU lekkertjes. Blijven ze slank van. Zag de bui al hangen. Gaaaat m’n Kourkina. Ze was al vierkant, maar nu zag ‘k een soort rechthoek voor me. Ja op z’n kant hè. Met de brede delen nou ja, in de breedte zeg maar.
FOCKFOCKFOCKFOCK. AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAHHH. Shit. Kramp. Koppelingkramp. Heb ik heel vaak op zaterdagavond. Toch een drukke week gehad. Mijn pysio zegt dat ik een korte achillespees heb. Of nou ja kort, kort. Bij mij loopt die enkel dus eigenlijk gelijk over in mijn kuitbeen. Staat ie dus geregeld strak. Zeker als ik dan met Perestrojka gisteravond nog even een paar van die wodkaatjes heb weggetikt. Dan schiet dat dus in mijn koppelingsspier. Fockzooi.
Hooo, de stopknop. Ja dan gaat er hier zo’n rood lichtje branden. U… ja natuurlijk hier moet u er uit hè. Nou tot ziens. ‘T is nog wel een stukje lopen. Maar voordat u gaat. Die knop. Ik zie u wel kijken. Dat lipje hier. Jahaaa…. asbakje. Verwacht je niet, in zo’n mooie knop. Voor 14000 zegeltjes. Twee walletjes… en een knop. En een asbakje. Nou.. nu we het toch even nog over roken hebben. Die bejaarden. Nou dan begint er een te hoesten. Dan staat die hele boven unit inmiddels aan, nou ja de knakken dan. Heeft ‘r een last van principes. Dacht ik nog ‘da’s astma.’ Maaar neeeui. Principes. De defibrillator, daar stond ik dus mee klaar. Met die klappers. Eerst scheren, heb je vaak met van die mensen die op Polen reizen. Dacht, dit wordt weer zo’n tripje bedrijfshulpverlening-in-de-praktijk. Maar neen, principes. Das helemaal doorgeslagen hè, tegenwoordig. Je mag niet meer roken in de bus. Vandaar dat gehaast waar ik ‘t eerder over had, van die chauffeurs die racen tegen ‘t schema om maar even aan hun niko behoefte te voldoen. Zal je wat vertellen. De bus, das dus geen vervoermiddel. Opgericht om te roken. Het is eigenlijk, ja zo’n puberprojectje. Dat je vroeger thuiskwam, je ouders mopperde over binnen roken. Nou daar vonden we toen wel wat op. Gewoon rijden en dan roken. En er waren steeds meer lui die dat ook wel wat leek. Nou dan laat je ze ‘r voor stempelen. Twee zones, is twee keer roken. En dan denkt u natuurlijk, maar waarom drie strippen, voor twee zones. Da’s logisch. ‘K zeg altijd, maar je ziet ‘t pas, als je ‘n peuk in je mond heb. Die eerste strip is voor de chauffeur. Anders mag die natuurlijk niet roken. Is zeg maar een strip per peuk. Wist je niet hè. Goed je moet er uit. Geen probleem, leuk effe bijgepraat te hebben.
Ja, jullie denken dat het een grapje is. Effe leuk met zo’n dichtclubje het platteland op. Even een weekendje Putten doen. Lekker de stad uit. Zo’n regionale ervaring. Buschauffeurtje d’r bij. Jullie denken dat het allemaal een grote klucht is hè? Gewoon om te lachen, beetje mij voor gek zetten. Maar ik zit hier iedere week, dag in dag uit. Op de bus. Met de knop, asbakje, linker hand op het raampje, vrouwtje d’r bij, gordijntje dicht, want dan weet je inmiddels hoe ik er bij zit. Met m’n vrouwtje. En het peukje. Had ik al verteld dat ze gestopt was? Ja dat had ik inderdaad al verteld. Dat had gekund, dat had kunnen gebeuren, je weet ‘t niet hè, hier zo, in deze omgeving. Ik zeg altijd maar zo, gekscherend, want zo ben ik, gekscherend, hier en daar. Maar nooit te veel hè. Ik weet altijd precies de balans te behouden. Tussen het grolletje en de serieuze toets. Ik zeg altijd maar zo: Putten valt niet uit te putten, hè. Snap je ‘m?
De Tachtigers niet ‘absoluut briljant’
Wederom heeft de Wereld der Dode Dichters haar poorten geopend en ditmaal heeft zij een heel gezelschap het eeuwige voor het tijdelijke laten verruilen. Naar verluidt waren de Tachtigers zeer verrukt over deze gebeurtenis.
Een greep uit de reacties van de dichters:
“O, lieve menschen, als ik u zoo zie,
Ik, die niet lijd en toch niet leven kan,
Omdat ik eenzaam met mijzelven blijf”
(Willem Kloos)
“Gij waant u, zwerver, boven hem verheven….
Wat deedt gij, zoo de dood ù nederstiet,
Dan leven, laten leven, leven geven?”
(Jacques Perk)
“Slaap stil. Uw schoonheid zal wat meer beduiden
Dan ‘t braggend rijm van muffe volksverzaders,
Als ‘t Volk dat stierf in u hernieuwd gaat luiden”
(Albert Verwey)
Mijn liefste was dood,
toen ben ik gegaan
alle werelden door,
ik heb gevonden, de wereld is groot,
maar zij was dood.
(Herman Gorter)
De leden van het inmiddels illustere gezelschap, dat de volksmond reeds “DWDDD” titelt, waren afgelopen zaterdagavond 11 oktober samengekomen om de Tachtigers de bediscussiëren. Nadat eerst het tijdstip van aanvang nog even onderwerp van discussie was, net als de vraag van welke componist er die avond muziek ten gehore zou worden gebracht in het Concertgebouw, alsmede de kwestie of de initiatiefnemer van de avond acte de présence zou gaan geven, evenals de vraag wat het Engelse antoniem is van de Griekse variant van het Latijnse woord “virtus”, wisselden de leden de noodzakelijke achtergrondinformatie uit met betrekking tot de Beweging van Tachtig. Hierbij werden alras de nodige netelige kwesties te berde gebracht, aangaande, onder andere, de contradictie bestaande tussen het “l’art-pour-l’art”-principe, een belangrijk onderdeel van de poetica van de Tachtigers, en de de kennelijke wil van dezen, om het gepeupel te willen overtuigen van de superioriteit van hun dichtkunst ten opzichte van hun voorgangers, te weten Beets en Ten Kate. Nog even werd geopperd om Koos Alberts een plaats te gunnen tussen Kloos en de zijnen, maar na rijp beraad werd daarvan afgezien, ondanks de gelijkenis tussen zijn verzen en die van Gorter. Tot slot kwam men, na rijp beraad en lezing van de nodige sonnetten, tot de conclusie dat de Tachtigers, in tegenstelling tot Stendhal, niet ‘absoluut briljant’ zijn. Hiermee waren alle leden ‘akkoord’.




