Archive for ‘Weekgedichten’

October 25th, 2009

Een laatste voortreffelijk lijk: Agilulf

by schopendegger

De ridder houdt van groente en patat
Hij hoopt met eten leegte te bezweren
Prei, als je me nu eens gekookt opat?
Om de leegte van het bestaan te trotseren

Men dronk ook graag van ‘t heerlijk gerstenat
Dat moet je dan weer marineren
Maar sla, tomaat en prei is hij nu zat
Zo pastinaak, kan je me pocheren?

Al te zwaar drukt gewicht van loden tooi,
Hij frituurt nu ook vaak uienringen,
Komkommer vindt de ridder vieze zooi,

Maar sappige sla doet Agilulf zingen
Regels zijn regels en zo is het mooi
Wat moet hij zonder harnas beginnen?

May 3rd, 2009

Troost – Jean Pierre Rawie

by schopendegger

Stel dat de avond niet zou vallen
en dat het moeizame gedoe
dat wij bedrijven met ons allen
zou doorgaan tot oneindig toe.

Ach kind, het maakt me nu al moe
wanneer ik aan de duizendtallen
verdrietjes denk die waar en hoe
ook jou nog zullen overvallen.

Wees maar tevreden dat het komt,
het nu nog zo gevreesde einde
aan al ons nutteloos getob.

Denk je eens in: eenmaal verdwijnt de
ellende; het gelul verstomt;
mijn lief, verheug je er maar op.

Noot van de redactie: Rawie heeft het tijdelijke in fysieke zin dan wel nog niet voor het eeuwige verruild, zijn poëzie mag hier best te lezen zijn.

Tags:
May 2nd, 2009

Gedicht van Reve voor Jan W. Jonker

by schopendegger

Stel je voor, dat de kater niet bestond.
Dan was alles nog veel erger.
Dan zou je nooit een kater krijgen,
terwijl je die nu wel krijgt.
Het is dus wel goed zoals het is. Prijs God.

Tags: , , ,
January 3rd, 2009

Dichter en fazant te Hellebosch – Erik Menkveld

by schopendegger

Een klaroenstoot haalt hem uit zijn werk.
Vanachter zijn tafel een blauw gemarmerd
knaloranje spektakel in de herfstige
spikkelpopulieren achter de haag.

Onder zijn appelrodewingerdrankomaderde
raam verspringt een geelvink
in de rozelaar, staart hem scheef
aan en schiet weg in de boomgaard.

O kleurloos getsjilp in mijn hersens
denkt hij. Een fazant laat zich niet zien
onder onmiddellijke woorden als vermiljoen,
paarlemoer, valavond, zwerk.

Noot van de redactie: wat geldt voor Rawie en Heytze, geldt ook voor bovengenoemde. Omdat hij in 2009 de strijd aanbond met Bruinja c.s. om de titel DdV. Vandaar.

June 3rd, 2008

Microkosmos – Th. van Ameide (1877-1955)

by schopendegger

Niet meer schijnt mij der zielen eenzaamheid
een last: zij is de vrijheid en de rust,
zij is mij ‘t lopen langs een stille kust,
waar roerloos effen zee te dromen leit

In haar berusten is het kloek beleid,
dat ons geneest na ‘t zwerven van de lust;
haar diep doorleven, kalm en zelfbewust,
maakt ons van kinderen, wier honger schreit,

tot kroon en koning van dit weids heelal,
dat even ondoorgrondlijk is als wij
en eenzaam, als geen mens ooit eenzaam is,

tot de verwekker en de ontvangenis,
oorsprong en eind van alles wat daar zij,
van alles wat daar was en wezen zal.

June 2nd, 2008

Het Tuinfeest – Martinus Nijhoff (1894 – 1953)

by admin

De Juni-avond opent een hoog licht
Boven den vijver, maar rond om de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De boomen langzaam in hun groen donker dicht

Wij, aan ‘t dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveinzen ‘t in ons mijmerend gedicht,
Om niet, nu ‘t uur eind’lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan den overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen -

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartusschen.

May 3rd, 2008

Op deze plaats hoort een ander gedicht… – Ingmar Heytze

by schopendegger

(Op deze plaats hoort een ander gedicht.
Dat komt, ik kan mijn handschrift
niet meer lezen. Ik werd wakker
van een stralend licht dat door
de kamer gleed – was het de maan?

Slapen zat er niet mee rin. Ontwaakt
was ook een ruim begrip: de meeste tekst
ging ver naast het papier. Vage vlekken
op de lakens. Op de muur: ‘het kind
(hum hum)’ en: ‘opgeschreven/uitgewist’.

Het was, denk ik, een goed gedicht.
Dat zie ik aan de krassen die toevallig
het papier hebben geraakt:
sterren, strepen, uitroeptekens.
Ik was in elk geval zeer enthousiast.

Het spijt me. Koop een bandrecorder,
bromt u nu misschien . Dat is nog erger,
dan hoor je de dag daarna een stem
vanuit het graf, die mompelt: ’ster…
frambozen… vezelrijk…’

gevolgd door drie kwartier gesmak
en snurken. Dan schrik je lijkbleek wakker
van de klik waarmee het bandje stopt -
juist als in je droom, geheel terecht,
een wapen op je wordt gericht.)

Noot van de redactie: wat voor Rawie geldt, geldt ook voor dit gedicht. (Dat-ie nog niet dood is enzo.)

Tags:
May 2nd, 2008

Annunciatie

by schopendegger

O mens uit sterrenstof ontsprongen! Tot in uw zondagse japon
draagt gij het peilloos en oneindig universum met u om,
mystieke roos van zuiver zilver prijkend op de inborst

als een morsdood lam door u getorst. Pleinvrezig zijn
maakt dom maar zwoegend zult gij spugen ‘t Woord,
zo het wil doemen uit obscure nachtwacht der pupillen

achter wier bebrilling tegen valling ge u schoort -
zult gij ‘t lichtend raadsel uit uw eigen rilling baren
vermits Wereldziel, stokoud, zijn afgrond in u vond.

May 2nd, 2008

Grensgeval 1 (Anneke Brassinga)

by schopendegger

Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
met eet er, zingt er, timmert er, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.

Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.

May 2nd, 2008

De jonggestorven dichter (J.C. Bloem)

by schopendegger

Een voorjaarsdag van wind- en zonnespelen

En wolken stormend langs ‘t verscheurde blauw,

Waaruit, het land langs, vreemde schijnen gelen;

Als ‘t kil in schaduw is, in zon reeds lauw -

Toen toog hij uit in ‘t bootje, storm-bevlogen.

De wind floot door de rieten langs den stroom.

Hij zat aan ‘t roer, gelukkig en bewogen,

Alsof hij voer naar een beloofden droom.

De dag verstreek. De wolken bleven jachten.

De wind floot immer nog door ‘t suizend riet.

De schemer kwam ‘t vervagend land omnachten,

Men tuurde in ‘t duister uit: hij keerde niet.

Was het de kracht des winds, de macht der golven?

Hijzelf heeft wel zijn sterven niet gewild.

Maar toen de koele stromen hem bedolven

Heeft geen verzet zijn brekend hart doortrild.

Want in hem leefde een drang, als in ons allen,

Die staag in daden om verlossing schreit,

En, als weerstrevinge’ alzijds ons omvallen,

Niet minder brandt, maar nu den dood gewijd.

Dien vlood hij niet, toen hem dat beeld kwam dagen;

Het lokte hem met een bekende stem -

Midden in ‘t voorjaar lag hij daar, verslagen,

En al de dromen in zijn hart met hem.

O aarde, spreid hem diep en zacht en teder

Een bed waar ‘t groen van vochte zoden is,

En bloesemschaduw wiegelt heen en weder

In stilte, die gewijd door doden is.

Want hij was een van die rampzaalge velen,

Die krampen in de grens van hun bestaan,

Om wie de nevelen zich nergens delen,

Wier paden nimmer naar hun dromen gaan.

Gij gaaf t de donkers hun om te bewonen;

Tranen, die loutrend wel, maar bitter zijn.

Toch, hoe ze ook klaagden om hun poovre lonen,

U smeekten zij vanuit hun stervenspijn.

Want zij beminden u: de goede koelte

Van uwe waatren en uw welig loof;

De vreugde om maneschijn of zonnezwoelte;

De oogstdroom, dicht aan uw hart, op warme schoof;

De schoonheid uwer paden na den regen,

Als in de plassen ‘t blauw weerspiegeld ligt,

Alsof de mensen waden door de wegen

Des hemels met een stralend aangezicht;

De brand der steden, die de levens slorpen

En bannen in de kilte van hun schijn;

En de vergeten weemoed van uw dorpen,

Wier huizen hurken om de kerk op ‘t plein.

Dan, andren waren er die daarvan spraken,

Met een bewogen en een schoon geluid,

In zangen, die hun dromen konden slaken -

Niet zij: gij doofdet zacht hun harten uit.

Zo was ook hij een. Toen zijn zinkende ogen

Braken, ‘t water zijn reutlende’ aêm verdreef,

Heeft slechts één pijn zijn zwijmend brein doorvlogen:

Dat nu de droom zijns harten woordloos bleef.

-Nu is het herfst en gaat de tooi verglimmen,

Die nog als laatste om de aardse dingen lag.

Mijn peinzen drijft naar dood en verre kimmen

En ik gedenk hem, dien ik nimmer zag.

Ik vind geen rust meer bij den vreê der lampen,

Mijn hart is vol en droef in ‘t nachtgeruis.

Maant mij zijn schim in de onbestendge dampen,

Die sluieren en weven om mijn huis?