O mens uit sterrenstof ontsprongen! Tot in uw zondagse japon
draagt gij het peilloos en oneindig universum met u om,
mystieke roos van zuiver zilver prijkend op de inborst
als een morsdood lam door u getorst. Pleinvrezig zijn
maakt dom maar zwoegend zult gij spugen ‘t Woord,
zo het wil doemen uit obscure nachtwacht der pupillen
achter wier bebrilling tegen valling ge u schoort -
zult gij ‘t lichtend raadsel uit uw eigen rilling baren
vermits Wereldziel, stokoud, zijn afgrond in u vond.
