De tijd zal het leren.
DWDDD en de DdV – de hoorzitting
Het uitluiden van het jaar bleek geen probleem. Het was gezellig en smaakvol. De dichters en de vraag leidde echter enige vrijwel onoplosbare vraagstukken. Hoewel sommige gedichten mooi bleken, enkele heel mooi en andere minder werden geacht, drong aan het eind van de avond de vraag zich op aan de auteur van deze tekst: moeten de dichters die uitblonken in gedichten in de laatste categorie, de mindere gedichten, in aanmerking komen voor de titel Dichter des vaderlands?
Een vraag waar deze auteur eigenlijk niet op wenst te antwoorden. Dat is al te veel aandacht voor diegene die dan wellicht niet uitblinken in het dichten, maar wel in uitblinken. Maar hoe een vraag niet te beantwoorden? Of hoe niet te spreken? De gestelde vraag dwingt eigenlijk al tot een antwoordstructuur die, bij nader inzien, eigenlijk onwenselijk is. Want ieder antwoord is een antwoord, ook haar afwezigheid, op de gestelde vraag. Het lijkt niet mogelijk om dit te ontlopen. Zeker niet in dit geval. Verdient dat uitleg? (is dat een vraag, oei, laat ik hem beantwoorden).
Een positief antwoord is uiteraard een duidelijke ondersteuning van de betreffende dichter. Het is niet alleen aandacht, het is positieve aandacht.
Een negatief antwoord wordt weliswaar gekarakteriseerd door de negatie van het positieve, of beter gezegd door haar ‘negatiefheid’ (hetgeen in de praktijk veeleer een positie is dan een negatie), maar is tegelijkertijd een antwoord met de bijbehorende aandacht. Nu negatieve aandacht vaak veel indringender is dan de tegenovergestelde variant (denk aan het welbekende adagium ‘goed nieuws is geen nieuws’), kan dat, zeker bij een kleinschalige verkiezing als deze, een tegenovergesteld effect hebben. De betreffende, negatieve attentie kan er toe leiden dat een gedeelte van het ‘electoraat’, dat in eerste instantie niet van plan was te kiezen, zich nu toch genoodzaakt voelt om deze negativiteit een halt toe te roepen. Voorts roept een dergelijke respons vaak extra aandacht op (goh, wat vindt u nu van dit vlijmscherpe kritiek van de leden van het genootschap?)
Dan de laatste optie. Geen antwoord (hoe schrijf je dat eigenlijk? zo?). Deze optie is vrijwel onmogelijk, en wel om (tenminste) twee redenen. Ten eerste, als een vraag gesteld is en gericht aan jou (de betrokkene, ik), dan is het vrijwel onmogelijk om niet te antwoorden. Een zwijgen (niet spreken) kan bijvoorbeeld een heel krachtige boodschap zijn, een onmiskenbaar antwoord (luister je wel naar me? Lees je dit wel? ). De afwezigheid van een positief of negatief antwoord, (ah hier is de negatie van het antwoord op zijn plaats), de negatie van het antwoord (of in ingewikkelde en onduidelijke bewoordingen, de aporie van het antwoord). Een tweede probleem, en in deze context een urgent probleem, is dat de afwezigheid van een antwoord anderen de vrijheid geeft om hun antwoorden door te drukken. Het zwijgen in verkiezingsverband is eigenlijk een steun aan de meerderheid (of beter gezegd het steunt de minderheid niet). In dit verband is het wellicht beter om het voorbeeld van de kiezers in de roman van Saramago (De stad der zienden) te volgen en in plaats van niet te stemmen, blanco te stemmen. Dit is dan eigenlijk een vierde optie in ons spectrum, wel een antwoord, niet positief op negatief (we zouden deze categorieën natuurlijk verder kunnen problematiseren en ons afvragen wat dit eigenlijk is, maar ja dit is al problematisch genoeg dunkt me zo).
Dit lijkt dus het pallet aan mogelijkheden op de vraag of de voorgedragen dichters de titel verdienen.
Maar ja, genoeg gesproken over BruinJa. En meer dan genoeg over Peeters. Het was een fijne avond in het poëtische Slotermeer.
