Zaterdag 3 oktober verzamelden de leden van het illustere genootschap DWDDD zich in het vrijwel altijde zonnige, maar op dat moment helaas behoorlijk regenachtige, Amsterdam-Oost om de allerminst hermetische Franse dichter Stephane Mallarmé te verwelkomen in het Walhalla. Het werd een mooie avond met sheets die handouts bleken te zijn, stoomboten zonder mast, welluidende rotsblokken, fantastisch, maar droef vlees en intrigerende vertalingen.
Eerst maar eens de sheet:
‘Biografie’
Stephane Mallarmé leefde van 1842 tot 1898. De beste man heeft naar verluid veel invloed gehad op de Franse intelligentsia van zijn tijd, mede door de salons die hij iedere dinsdag organiseerde (Les Mardisten). Tot dusver de biografie (hoewel het een ieder vrij staat om het vervolg van deze pagina te interpreteren als biografisch, zoals we zullen zien is de veelheid van interpretatie immers één van ‘kernthema’s’ van de poëzie van onze grote vrind.)
‘Poëzie etc.’ (een simplistische categorisatie als deze is natuurlijk fors in strijd met de betekenisstortvloed die Mallarmé beoogt te ontkenen, maar daarover later meer)
In deze sheet zal ik me beperken tot de interpretatie die Derrida heeft gegeven aan Mallarmé, tenminste de interpretatie die ik daaraan geef nadat ik me allerminst grondig heb verdiept in deze kwestie.
Betekenis is voor Mallarmé (volgens Derrida) altijd een betekenisspel tussen woorden, het ligt niet vast, maar opent een (oneindige) veelheid aan mogelijkheden. Woorden verwijzen naar andere woorden, die op hun beurt weer naar andere woorden verwijzen. Hierdoor vormt het geen gesloten systeem. Voor Mallarmé wordt betekenis echter niet alleen gegeven door het verwijzingsspel van woorden, maar eveneens door de verhouding tussen het woord en de afwezigheid, de leegte of het wit. Wit is daarom ook een belangrijk thema in zijn poëzie.
‘The space between words, the gap, the white, becomes the precondition for a text to appear as text.’ (bron: een of ander obscure tekst op een vreemde website).
Dit doet uiteraard, lieve lezers, denken aan Hermans die ik hier daarom even zal citeren (wat is immers een DWDDD-avond zonder een citaat van Hermans? Inderdaad, een droeve avond):
‘Een spreekwijze zegt dat papier geduldig is. Het lijdt geen twijfel dat bruten het naar willekeur kunnen mishandelen. Toch heeft dit niets te maken met geduld.
Want papier wordt pas waarlijk papier wanneer het is gebruikt en wanneer het gebruikt is, valt er weinig meer goed te maken. Het geduld van het papier is niet groter dan het aantal vierkante centimeters van zijn oppervlakte. Dat is mij te weinig. Misschien veracht het mij wel en zou het zijn heil liever elders zoeken. Daarom durf ik niet te schrijven op nieuw papier.
Nieuw papier kan nog alle kanten uit’
(Paranoia, p. 7)
én ten aanzien van het betekenisspel en het geweld van schrijven:
‘Ik schrijf, hoewel ik weet dat men alleen één word schrijven kan door er tienduizend over te slaan. Maar deze tienduizend blijven zweven als modder in een glas water. Kijkt men er boven in, dan verduisteren zij het neerslag dat op de bodem ligt. Ik zie wat ik geschreven heb alleen maar door de troebele mist van dat wat geen gestalte heeft aangenomen. Begrijpt men nu, waarom het door mijzelf beschreven papier zulk een verontreinigde indruk op mij maakt? En zal men zich kunnen voorstellen hoe misdeeld het mij voorkomt te zijn in vergelijking met papier dat beschreven is door een rekenmachine of dat als ondergrond dienst doet voor een fotografie?
Mijn grootste ongeluk is dat ik niet al machine ter wereld gekomen ben en dat ik niet met licht kan schrijven als een fototoestel.’ (Paranoia, p. 12)
Goed, ik dwaal af. Hoewel. Volgens Hermans kan nieuw papier nog alle kanten uit, Mallarmé zou hier waarschijnlijk tegen in brengen dat ook beschreven papier nog alle kanten uit kan, in het spel tussen de woorden en het wit, staat het wit, net als bij Hermans eigenlijk, voor de oneindige betekenismogelijkheid.
Maar! De poëzie van Mallarmé heeft ook nog andere betekenismogelijkheden. Zijn woordgebruik is ook op klankniveau dubbelzinnig. Zo verbindt hij vaak woorden met elkander als ‘cygne’ (zwaan) en ‘signe’ (teken) of ‘vol’ (vlucht) en ‘voile’ (sluier of zeil). Ook op deze wijze probeert hij de mogelijkheden van de taal op te rekken en te verleggen.
Men zou dus kunnen zeggen, en dat doet Paul Claes dan ook in zijn toelichting bij de Nederlandse vertaling van enkele gedichten, dat Mallarmé’s oeuvre gekenmerkt kan worden door een fundamentele dubbelzinnigheid. Het vereist dan ook een enorme inspanning om de poëzie van Mallarmé te lezen.
Hoe goed, lieve DWDDD-ers herkennen wij ons in de uitleg van diezelfde Paul Claus!
‘In de burgerlijke maatschappij die de zijne en de onze is, heeft de strijd van allen tegen allen het individu op zichzelf teruggeworpen. Alleen de successchrijver, die wensdromen reproduceert, heeft nog een publiek. Wie dit weigert, sluit zichzelf op in het reservaat, het asiel soms van de Kunst. Dichters zijn gedoemd, of niet. Toch is literatuur in deze tijd nog een van de enige plaatsen waar schrijfvrijheid heerst. Vertrekkend vanuit kunst-om-de-kunstopvattingen heeft Mallarmé die vrijheid zo gehanteerd dat lezers die alleen pasklare fictie wilden consumeren, zijn verzen als onleesbaar ervaren hebben. Zijn tekst roept een nieuw lezerstype op, even vrij, even actief als hij zelf. Mallarmé’s poëzie schreeuwt om het rigoureuze leesgedrag, de vrije associatie en het contextloze gesprek van de DWDDD-isten!!’
En een contextloos doch bere-interessant gesprek ontstond! Ondanks het estorische karakter van de avond wil uw scribent u de volgende aforismen niet onthouden:
‘brakke zinnen’ (Il Principe)
‘welke stoomboot heeft er nou een mast?!’ (Il Principe)
‘de gehaktbal is droef’ (Fred)
‘andijvie + (iets wat door het voortschrijden van de tijd niet aan leesbaarheid heeft gewonnen) + hutspot’ (Sterre)
Een steamer heeft geen mast, wijst gedegen onderzoek uit.
‘Het embleem, icoon, eeh ik bedoel wapen van Oost-Watergraafsmeer kent overigens ook een zwaan’ (Sterre)
over het woord ‘tobmeau in de eerste korte strofe wordt lang gepraat.
‘Deze metafoor lag op het puntje van mijn spreekwoordelijke lippen’ (Schopendegger)
‘Wat?! Doet Nico de tuinen???’ (Sterre)
De geslaagde en inzichtelijke avond, waaruit bleek dat er over stervende zwanen best te dichten valt, rotsblokken zwart zijn (tenminste in de vrieswind zo vol toorn) en dat Mallarmé alle boeken over droef vlees las, werd in stijl afgesloten met het uiterst hermetische werk van Theo en Thea in een heuse Theo en Thea marathon.
